Wit op wit

Je huid is doorschijnend wit
Het cliché onder de witte
badhanddoek, je zachte
blanke borsten, je schouders bloot
Je lachte. Je lacht me dood.
Witte tanden, witte handen
Lichtgevend tegen witte bergen
van lakens in onze
luxe cel voor de nacht

Onze illegale gevangenis.
Een eeuwigheid in een tel.
We spreken in tongen.
Alle talen van de wereld.
Mijn middelvinger langs je vel.
Eeuwig op water en brood
en blijvend beminnen.
Mijn hand in jouw schoot.

De buitenwereld is niet hier.
Ik ben daar. In je hals, in je haar.
Je stevige benen van binnen
waar je witte vingers zich
verstrengelen met de mijne.
Want mijn linkerhand is van jou.
Altijd bij je. Heb ik beloofd.

En je witte hals daar onder je
stralend witte haar
is mijn witte doek.
Het canvas van mijn lichte ziel.
Het witte zout op mijn lippen.
Een sterrenbeeld van witte zonnen
onder noorderlicht van
snijdende witte sneeuw
In de iglo van onze poolcirkel.

Een kleine kombuis van
winterse warmte van twee levende
lijven. Het witte vlees gloeit.
Onze ademt strijkt witte wolkjes
Een lucifer vonkt in de nacht.
Ik adem je lucht in mijn longen.
Je zucht. Ik zuig je leeg. Je stokt.
Je lacht en hijgt fris.

Je bent mijn lichtgewicht op hoogte.
Daar waar ik naar zuurstof hap.
Waar we alleen maar zeer nabij waren.
Gewichtloos dichtbij.
Ik zweer bij jou. Jij zweeft mij.
Ik ben mijn eigendom niet meer.
Je hebt een witte ziel. Weet je.
Ze zegt over jou, je hebt de zon in je.
Rustig liefhebben is mijn kleurenblind
Ik ben van jou. Altijd. Overal. Getwee.
Jouw wit verblindt. Ik neem je mee.